Toen, toen alles simpel was.
Kerstmorgen vroeg... De prille jaren vijftig leden
buiten voelbaar onder de winterkou,
de rode kolenkachel was nog amper lauw,
maar de elektra-kaarsjes in de kerstboom deden
hun best, de kleine jongen wreef zijn handen,
maar bleef zich warmen aan hun zachte stille licht,
zo af en toe kneep hij zijn ogen dicht,
waardoor het nét leek of er echte kaarsjes brandden.
De mooie kaart van oma op het schrijfbureau,
"Gelukkig Kerstfeest" las hij... En dat was ook zo.
Jan Boerstoel
uit: Altijd het niemandsdier,
Bert Bakker, 2001
Het sneeuwt
De vlokken dwarrelen als
in schoolopstellen.
Volwassenen staan verrukt als
kinderen te staren voor het raam
en ademloos bedampt
het venster van hun warme adem.
Wij zijn het niet gewoon
als kinderen te voelen.
Zouden kinderen het zelf
nog kunnen?
Het sneeuwt vandaag in kinderopstellen
en hun argeloze blik
schrijft moeizaam
o zo moeizaam
wat zij nu allemaal wel
voelen moeten
als het sneeuwt.
De vlokken dwarrelen, schrijven zij
en inderdaad
hoe kan het anders?
naar Cathy Mara
uit: Gedichten van vroeger, 1986
A NAI KLEJD
Ich hob zich ongeton haint
tsoem ersjtn mol
noch zibn lange jor
a nai klejd.
Nor s'iz tsoe koerts far main troier
oen tsoe eng far main lejd,
oen s'iz ajeder wais-glezerner knop,
wi a trer,
wos flist foen di faldn arop
farsjtejnert oen sjwer.
Rochl Korn
Podliski 1898 - Montreal 1982
EEN NIEUWE JURK
Vandaag kleedde ik mij
voor het eerst
na zeven lange jaren
in een nieuwe jurk.
Maar voor mijn rouw is zij te kort
en voor mijn leed te nauw
en iedere wit-glazen knoop
is een traan,
die langs de plooien druipt
versteend en zwaar.
Winter
Winter. Je ziet weer
de bomen
door het bos, en dit licht
is geen licht maar inzicht:
er is niets nieuws
zonder de zon.
En toch is ook de
nacht niet
uitzichtloos, zolang er sneeuw ligt
is het nooit volledig duister, nee,
er is de klaarte van een soort geloof
dat het nooit helemaal donker wordt.
Zolang er sneeuw ligt is er hoop.
Herman de Coninck
uit: Zolang er sneeuw ligt.
Brugge: Orion. 1975
2006
2005
2004
Kerstmis bij de Gebroeders Temmes
Arie : En die koning heette Herodotus.
Gé : Die alle kleine kinderen opat.
Arie : Behalve Jezus, omdat die in dat mandje dreef.
Gé : O ja, nou weet ik het weer. Met die vallende ster.
Arie : En toen dat mandje met Jezus naar de Open Zee dreef, toen spleet de zee in tweeën, dat Jezus niet zou verdrinken en nat worden.
Gé : Maar hij had dus niets te eten.
Arie : Hij at herten en runderen.
En dat sliep allemaal bij elkaar,
met de lammeren en de leeuwen.
Dat vonden ze een eer, om door Jezus te worden opgegeten.
Gé : Rauw?
Arie : Nee, eerst roosterde hij ze op een brandend braambos.
Gé : En als hij dan dorst had?
Arie : Dan sloeg Jezus met zijn staf op een berg en dan kwam daar bier uit.
Gé : Het is goed om in deze donkere dagen weer eens bij die dingen stil te staan.
Arie : Precies. Daar hebben ze Kerstmis dan ook voor ingevoerd.
(Koot & Bie, Bescheurkalender)
2003
2002
Vastberaden, doelgericht
of aarzelend op de tast
Houd je aan de regels
of volg je eigen zinnen
Laat die hand maar los
of pak er juist één vast
Wees niet bang
voor al te grote dromen
Ga als je het zeker weet
en als je aarzelt wacht
Hoe ijdel zijn de dingen
die je je hebt voorgenomen
Het mooiste overkomt je
het minste is bedacht
Freek de Jonge Wees niet bang
2001
Geluk is geen kathedraal
Misschien een klein kapelletje
Geen kermis luid en kolossaal
Misschien een carrouselletje
Geluk is geen zomer van smetteloos blauw
Maar nu en dan een zonnetje
Geluk dat is geen zeppelin
't Is hooguit 'n ballonnetje.
Toon Hermans
2000
1999
Als onder sneeuwvlokken die met z'n allen voor ze gaan liggen nog even ópvallen, zo zorgvuldig dat het mooi wordt van respect, zo ligt onder woorden werkelijkheid. Bedekt.
1999
Zoals je tegen een ziek
dochtertje zegt:
mijn miniatuurmensje, mijn zelfgemaakt
verdrietje, en het helpt niet;
zoals je een hand op haar hete voorhoofdje
legt, zo dun als sneeuw gaat liggen,
en het helpt niet:
zo helpt poëzie.
Ach, de troost van een vergelijking,
het helpt bijna. Zodra ik nog maar 'zoals'
hoor, wordt alles minder alleen.
Herman
1998
1997
WINTER
Wolken
drijven als zwarte schaduwen
over het verdronken land.
Kaal en dor is elke boom
die ik ontmoet.
Eens waart gij de trots van
de zomer, toen ik in verloren
uren kon rusten in de
schaduwen van uw lover.
Maar elk seizoen kerft
zijn sporen in uw schors.
Toch komt er een nieuwe
dageraad, waarin gij, mijn
boom, weer stoer in blad
en bloei te pronken staat.
Jozef Vandromme